Ik ben opgegroeid in het dorp Moerdijk. In die 22 jaar heb ik gezien hoe het dorp steeds verder ingeklemd kwam te zitten tussen industrie en snelwegen. Ik heb geroken dat het geen koekjes- of wolkenfabrieken zijn die op ‘Port of Moerdijk’ zijn gevestigd. Bovendien zat mijn vader er bij de vrijwillige brandweer, dus ik heb ook genoeg gehoord.
Toch was er nooit een gevaar voor de volksgezondheid. Brand bij Shell, brand bij Chemie-Pack, brand bij een willekeurig ander bedrijf met gevaarlijke stoffen op industrieterrein Moerdijk, stankgolven van de ATM, illegale lozingen en andere overtredingen. Telkens was (is) de overheid er als de kippen bij om te melden dat er geen gevaar is voor de volksgezondheid. Dat geloofde ik toen al niet en na het zien van de documentaire Beerput Nederland, al helemaal niet meer.
‘De vervuiler betaalt’, roept de overheid. Daar hebben wij thuis hard om gelachen.
De paling uit het Hollands Diep, vormt echter wel een gevaar voor de volksgezondheid, meent de overheid. Sinds 1870 werd er door mijn voorouders gevist op het Hollands Diep. Ze hebben zich aangepast aan de veranderende omstandigheden die de Deltawerken met zich meebrachten. Als enige vissers bleven ze over, mijn vader samen met mijn opa en later met mijn oom. Ze visten duurzaam, nog voordat het woord hip werd. Ze plaatsten ringen in de fuiken, zodat de jonge aal kon ontsnappen. Overbodige bijvangst werd zo snel mogelijk weer teruggezet in de rivier. Als je afhankelijk bent van de natuur, dan zorg je daar ook voor.
Zo’n vier jaar geleden besloot de overheid dat er geen paling meer gevangen mocht worden op het Hollands Diep. Te giftig, te ongezond. Te veel pcb’s, te hoog dioxinegehalte. Mijn vader en oom werden afgescheept met een fooi en moesten na vijf generaties stoppen met de visserij. Ze raakten hun bedrijf kwijt door het wangedrag van een ander, wangedrag dat de overheid accepteert.
‘De vervuiler betaalt’, roept de overheid. Daar hebben wij thuis hard om gelachen. Mijn ouders hebben geen cent ontvangen van de vervuilende bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de ondergang van ons familiebedrijf. Mijn ouders betalen de prijs voor de vervuiling die in het Hollands Diep is ontstaan door o.a. (il)legale lozingen. Zij hebben geen inkomsten meer. Het is niet mijn vader die dioxines en pcb’s in paling heeft gestopt. Desondanks is hij zijn bedrijf en inkomsten kwijt.
Dezelfde overheid die de paling uit het Hollands Diep verbiedt, knijpt een oogje dicht als grote bedrijven gelegen aan deze rivier de milieuregels overtreden.
Ondertussen zijn mijn ouders uit Moerdijk vertrokken. Voorlopig zijn ze qua gezondheid “schadevrij” uit de Beerput gekomen. Toch ben ik bang dat er iets sluimert dat ze hebben opgelopen toen ze in Moerdijk woonden, ze in de stank leefden, er weer eens iets in de fik vloog op het industrieterrein, de snuffelpaal in de Julianastraat voor de vierde keer in de week een flinke benzeenpiek signaleerde. Overigens vormen ook deze pieken nooit een gevaar voor de volksgezondheid. Dat u het even weet.
Als ik ’s nachts door het dorp liep, stonk het er altijd. Alsof ze op het industrieterrein dachten: de Moerdijkers slapen, zet de sluizen maar open. Een jaar of vier geleden werden mijn ouders midden in de nacht kotsmisselijk wakker van een vreselijke stank die in hun slaapkamer hing. De stank kwam van buiten, de stank kwam van het industrieterrein, daar was gezien de windrichting geen twijfel over mogelijk. Er ging ‘iets mis’ bij de vuilverbranding, pardon afvalenergiecentrale.
Steeds vaker was het overdag ook niet meer te harden. Chloor, frituurvet, een penetrante zoete geur die mijn speekselklieren irriteerde en andere misselijkmakende luchtjes. Moerdijk biedt een bijzonder scala aan geursensaties. De stank kwam niet alleen meer van het industrieterrein, maar ook van schepen die op het Hollands Diep lagen te ontgassen. Uiteraard zonder enig gevaar voor de volksgezondheid.
Mijn ouders hebben vaak naar de milieuklachtenlijn gebeld. Niet dat ze het gevoel hadden dat het iets opleverde – milieuambtenaren zijn vaak verkouden – maar zwijgen is toestemmen en dat waren ze absoluut niet van plan.
Bovendien voert de grootste stinkerd een charmeoffensief in het dorp. De afvalverwerker schenkt computers aan de basisschool, sponsort verenigingen en evenementen, bestelt broodjes en andere verbruiksmaterialen bij lokale ondernemers en voorziet een aantal dorpelingen maandelijks van een inkomen.
Grote concentraties benzeen, tolueen, xyleen en de rest van de familie, vormen opeens geen gevaar meer voor de volksgezondheid.
Toch zal je de meeste Moerdijkers niet meer horen klagen over stank of geluidsoverlast. Ze houden hun mond, uit angst dat hun woningen nog verder in waarde dalen, uit angst dat het dorp verandert in een spookdorp, uit angst met de nek te worden aangekeken als ze uitspreken wat ze werkelijk vinden.
Andere omwonenden weten inmiddels dat het weinig zin heeft om te bellen. Nog steeds, na al die klachten, na al die jaren, kunnen de bedrijven op industrieterrein Moerdijk hun gang gaan. Voor de vorm grijpt de overheid af en toe in. Ze delen boetes of dwangsommen uit van een paar duizend euro. Bedragen die voor deze bedrijven niets voorstellen en daarom geen enkel effect hebben. Een aantekening in het grote boek van Sinterklaas, meer is het niet.
Normen worden overschreden, maar die lijken voor de overheid niet zo belangrijk meer als grote bedrijven dat doen. Alles is immers te koop. De overheid geeft zelfs toestemming aan bedrijven om deze normen te overschrijden en laat deze milieucriminelen meeschrijven aan nieuwe milieuwetten. Grote concentraties benzeen, tolueen, xyleen en de rest van de familie, vormen opeens geen gevaar meer voor de volksgezondheid. Daarom kan ATM toch gewoon vertellen waar ze dat giftige afvalwater uit Angola hebben gelaten? Dat het wellicht in het Hollands Diep is gekieperd of de Moerdijkse atmosfeer is ingeblazen geeft helemaal niks. Er is immers geen gevaar voor de volksgezondheid. Toch?